Mijn familie – hoe het begon

 

Mijn geboorte

Ik werd geboren in 1960. Mijn moeder had kort daarvoor een kind verloren, Martin. Kort daarna werd ik geboren.

Binnen de familie werd mij verteld dat ik als baby op zolder werd gelegd, zodat men mij niet zou horen huilen. Dat verhaal is mij altijd bijgebleven. Het vat voor mijn gevoel veel samen over mijn jeugd.

Vermoedelijk had mijn moeder een postnatale depressie. In die tijd was daar nauwelijks aandacht of hulp voor. Er moest vooral gewerkt worden. Als ik terugkijk, vraag ik mij soms af of het vandaag werkelijk zoveel beter is.

Mijn vader werkte zich dood en ook mijn moeder werkte voortdurend. Alles moest proper zijn. Er was weinig aandacht voor ons als kinderen.

Soms denk ik dat mijn leven er heel anders had kunnen uitzien als mijn ouders anders met ons waren omgegaan. Ik heb vaak het gevoel gehad dat er niet echt naar ons werd omgekeken.

Mijn broers

Mijn jongste broer Dirk heeft als kind een zwaar ongeluk gehad. Zijn voet kwam onder een bus terecht en werd verpletterd. Het scheelde maar weinig of zijn voet moest worden geamputeerd. Ironisch genoeg werd hij later buschauffeur.

Ik keek vroeger erg op naar mijn broer Marc. Ik vond hem een slimme broer. Voor zover ik mij herinner hebben wij eigenlijk nooit echt ruzie gehad, misschien ooit eens tijdens een spelletje Monopoly.

Ik had een Suzuki van 550 cc. Als Marc ermee naar school wilde, mocht hij hem meenemen. Dat was eigenlijk vreemd, want zijn school was maar één straat verder.

Op een dag reed hij met een enorme snelheid door die straat en maakte hij mijn motor volledig stuk.

Maar eerlijk gezegd was ik op dat moment veel bezorgder om mijn broer dan om mijn motor.

De vervreemding

De vervreemding tussen Marc en mij begon toen we niet meer samenwoonden. Toen hij bij zijn vrouw ging wonen, werd de afstand steeds groter.

Ik begon mij een vreemde te voelen binnen mijn eigen familie.

Dat is een heel pijnlijk gevoel. Je vraagt je dan af: ben ik minder belangrijk geworden? Ben ik minder waard dan iemand die van buiten de familie komt?

Met Dirk, die een aantal jaren jonger was, was de band minder sterk. Marc en Dirk leken de lievelingen van mijn ouders te zijn. Ik heb nooit goed begrepen waarom.

Hoe ouder ik werd, hoe sterker ik de afstand binnen de familie begon te voelen.

Er werd achter mijn rug gepraat. Op familiefeesten werd ik niet uitgenodigd. Ik voelde mij steeds meer het vijfde wiel aan de wagen.

Met Dirk probeerde ik nog contact te houden. We hadden allebei interesse in computers en dat was iets wat ons met elkaar verbond.

De vete gaat verder

Vanaf dat moment werd de verhouding binnen de familie steeds moeilijker.

Ik kreeg steeds sterker het gevoel dat mijn ouders mij verstootten en dat mijn broers daarin meegingen. Voor mijn gevoel ontstond er een soort familieverband waarin ik steeds verder naar de buitenkant werd geduwd.

Toen ik na mijn gevangenisstraf voor cannabiskweek weer op straat kwam te staan, was er weinig waarop ik kon terugvallen. Ik had het gevoel dat justitie en de overheid mij eerder verder naar beneden duwden dan mij opnieuw op weg hielpen.

Mijn broer Dirk had ondertussen spullen uit de oude woning gehaald. Een deel bleef staan. Het was half werk.

Tijdens die periode veranderde ook zijn houding tegenover mij. Ik kreeg de indruk dat er iets was veranderd en dat ik plotseling ook in zijn ogen de slechte was geworden.

Mijn spullen werden in de garage van mijn ouders gezet.

Ik mocht terug naar mijn ouders, hoewel de verhouding met hen ondertussen zeer slecht was. Daar stond ik mijn spullen te sorteren, vaak rechtstreeks uit vuilniszakken.

Mijn moeder stuurde regelmatig de politie naar mij toe. Op een bepaald moment werd zelfs de deur op slot gedaan, waardoor ik zelf niet meer naar het toilet kon.

Mijn ouders werden ouder

Mijn vader ging naar de dagopvang voor mensen met dementie.

Ik had mijn ouders vaak verteld dat ze gezonder moesten eten, maar ze hadden daar weinig naar geluisterd. Hun gezondheid ging steeds verder achteruit.

Mijn ouders waren op dat moment zelf bijna wrakken geworden. Ze maakten voortdurend ruzie met elkaar. Dat leek soms het enige te zijn wat ze nog deden.

Ook de buren hadden hun ruzies blijkbaar opgemerkt en begonnen hen te vermijden.

Ik zat er middenin.

Toch bleef ik mij verantwoordelijk voelen voor mijn ouders. Vanuit mijn opvoeding had ik sterk meegekregen dat je voor je ouders zorgt wanneer ze oud worden, zoals zij voor jou zorgen wanneer je een kind bent.

Mijn broers waren ondertussen, naar mijn gevoel, steeds meer bezig met het beperken van mijn invloed op mijn ouders.

Ik mocht niet meer zomaar bij mijn ouders zijn.

Ik mocht niet meer in het ouderlijke huis komen.

Ik moest weg.

Mijn moeder en mijn broers

Mijn moeder had in de praktijk veel invloed binnen het gezin. Terwijl ik haar probeerde te helpen, kreeg ik steeds meer het gevoel dat zij samen met mijn broers tegen mij werkte.

Ik weet niet precies wanneer mijn broers de controle begonnen over te nemen, maar volgens mijn gevoel gebeurde dat geleidelijk.

Ik begon mij af te vragen waarom alles wat ik deed als slecht werd gezien. Als ik toch al als de slechte persoon werd beschouwd, leek het voor anderen misschien gemakkelijker om mij steeds verder buiten te sluiten.

Voor mijn gevoel werd ik steeds verder in de put geduwd.

Voordat er verdere afspraken konden worden gemaakt, werd mijn moeder ziek.

Ik kreeg later het vermoeden dat er toen misschien al achter mijn rug afspraken werden gemaakt met het rusthuis Avondvrede. Ik wist daar op dat moment niets van.

Mijn gevoel was dat men mijn ouders zonder mijn medeweten naar een rusthuis wilde brengen.

Als dat zou gebeuren, zou ik uit het huis verdwijnen, zou de verbinding met mijn ouders worden verbroken en zou het ouderlijke huis gemakkelijker verkocht kunnen worden.

Ik voelde dat anderen de beslissingen namen en dat ik daar niets meer over te zeggen had.

Mijn vader

Ondertussen zorgde ik voor mijn vader als mantelzorger.

Mijn vader kon moeilijk zonder mij. Op mij kon hij rekenen. Met mijn moeder was er ondertussen voortdurend ruzie.

Mijn vader wilde op een bepaald moment niet meer leven en vroeg mij om hem te helpen. Ik wilde dat natuurlijk niet. Ik kon hem niet helpen met iets wat mij een zware gevangenisstraf zou kunnen opleveren.

Hij probeerde soms zelf veel alcohol te drinken. Ik probeerde dat zoveel mogelijk te beperken. Wanneer ik merkte dat hij cognac wilde drinken, deed ik soms water bij de cognac. Ondanks zijn dementie merkte hij dat soms.

Dat was geen goede situatie, maar ik probeerde op mijn manier met een heel moeilijke situatie om te gaan.

Mijn broers vertelden vervolgens dat ik mijn vader alcohol gaf, terwijl mijn moeder dat volgens mijn herinnering zelf ook deed. Ik heb het alcoholgebruik zoveel mogelijk proberen te beperken. Tegelijkertijd voelde ik dat ik hem, omdat hij aan het einde van zijn leven was gekomen, niet alles meer kon afnemen.

Mijn vader wilde niet naar de dagopvang.

Ik ging hem daar bezoeken en zat soms een hele dag naast hem in een stoel. Af en toe kreeg ik hem na veel aandringen zover dat hij aan activiteiten deelnam.

Op een bepaald moment liet ik hem thuis.

Er was hulp aanwezig en ik vond dat hij daar beter af was, omdat hij zelf niet naar de dagopvang wilde.

De tweede dag dat hij niet naar de dagopvang ging, stonden mijn broers plotseling aan de deur. Zij wilden mijn vader uit het huis halen en hem opnieuw naar de opvang brengen.

Ik wilde daar geen geweld tegenover stellen.

Maar mijn vader wilde er niet heen.

Het was zijn huis en zijn leven.

Bovendien kostte die opvang geld en ik zag niet wat het hem op dat moment nog opleverde.

De laatste periode met mijn vader

Ik gaf mijn vader ook macrobiotische voeding, waarvan ik dacht dat die goed voor hem was.

Hem aan het eten krijgen was soms een enorme opgave. Ik moest alles uit de kast halen om hem te laten eten.

Soms zei ik tegen hem: als je je eten opeet, krijg je wat cognac.

Dat werkte soms. Omdat hij door zijn dementie snel vergat wat er eerder was gebeurd, vergat hij soms ook dat hij al alcohol had gekregen.

Soms werd hij woedend omdat hij cognac wilde hebben. Dan begon hij in alle kasten te zoeken.

Ik zei dan dat ik er wel om zou gaan. Dat gaf even rust.

Ik wilde mijn vader terug uit de opvang halen. Maar door zijn dementie liet hij zich daar uiteindelijk gemakkelijk beïnvloeden door de mensen die er werkten.

Enkele dagen later stond plotseling de politie samen met mijn moeder voor de deur.

Ik moest het ouderlijke huis verlaten.

Daarmee kwam er voor mij een einde aan een lange periode waarin ik, ondanks alles wat er binnen onze familie was gebeurd, geprobeerd had om voor mijn ouders te blijven zorgen.